Erfgoed
Succesmodellen en extra vermogen
Al 75 jaar staat de Unimog als geen ander voertuig voor efficiëntie, flexibiliteit en legendarische offroad-eigenschappen. In de jaren 60 ontstond het uitgebreide productaanbod dat tot op de dag van vandaag de specialist met vierwielaandrijving bepaalt.
1956–1965 | Het complete Unimog-programma ontstaat
De Unimog-bouwreeks 411 brengt extra vermogen.
Op de DLG-tentoonstelling 1956 in Hannover presenteerde Daimler‑Benz met de Unimog modelserie 411 de opvolger van de reeksen 401/402. Belangrijkste kenmerk: meer vermogen. De 30 pk zorgden voor het beslissende pluspunt om aan de stijgende eisen in de landbouw te voldoen. Maar ook het comfort kwam niet tekort: naast verbeterde zetels werden bij de modelserie 411 versterkte schokdempers toegepast.
Zoals bij het voorgangermodel was er fabriekshalve een versie met korte en lange wielbasis verkrijgbaar. De laatstgenoemde genoot grote populariteit, omdat ze vanaf 1957 met een nieuw ontwikkelde bestuurderscabine uitgerust kon worden. De volstalen cabine bood duidelijk meer ruimte dan voorheen en blonk uit door Daimler‑specifieke uitrustingskenmerken en een ontwerp met afgeronde hoeken, dat maatstaven zette in het bedrijfswagensegment.
Vanwege zijn wendbaarheid, zijn relatief hoge snelheid en zijn zeer goede offroad‑eigenschappen werd de Unimog steeds vaker voor transporttaken ingezet. De voor- en achteraan beschikbare aftakassen boden gebruikers uitstekende voorwaarden voor het flexibele gebruik van zagen, pompen, lieren en andere apparatuur.
Dienst op het terrein.
Vanwege zijn uitstekende terreinvaardigheden, waarbij hellingshoeken van 45° zowel naar voren als naar achteren geen probleem waren, toonden vanaf het midden van de jaren 1950 ook steeds meer legers belangstelling voor de Unimog. Met de Unimog S (bouwreeks 404) ontstond een voertuig dat aan hun hoge eisen voldeed. De Unimog S had een groot laadvlak dat naar keuze als open laadbak of als kofferopbouw kon worden uitgevoerd. In tegenstelling tot civiel gebruikte Unimog uit die periode werd gekozen voor pk-sterke benzinemotoren.
De talrijke varianten van de Unimog S werden tot 1980 in Gaggenau geproduceerd – met 64.242 voertuigen is deze bouwreeks tot op heden de meest succesvolle. Zo genoot de bouwreeks 404 ook grote populariteit bij de brandweer.
Technische vooruitgang aan de lopende band.
De voortdurende verbetering van het voertuig en zijn componenten bracht de Unimog steeds verder. Volgens het motto: evolutie in plaats van revolutie. Zo werden vanaf eind jaren 1950 krachtiger luchtdrukremmen toegepast, de besturing werd verbeterd en een hydraulische hefinrichting ingevoerd. In 1959 was er vervolgens een echte primeur in het bedrijfswagensegment: de volledig gesynchroniseerde 6-versnellingsbak, die sinds 1957 al als extra-uitrusting in de Unimog 411 was ingebouwd, werd onderdeel van de standaarduitrusting. Daarmee werd schakelen niet alleen comfortabeler dan met de eerder gebruikte klauwversnellingsbak, maar ook efficiënter. Op verzoek waren er bovendien meertraps kruipversnellingsbakken voor de Unimog verkrijgbaar.
- 1
- 2
- 3
- 4
- 5
- 6
- 7
- 8
- 9
- 10
- 11
- 12
- 13
De grote broer: de Unimog bouwreeks 406.
Op de DLG-tentoonstelling van 1962 vierde Daimler-Benz opnieuw een Unimog-première. Met de Unimog 406 werd de "zware bouwreeks" geïntroduceerd met een verbreed spoor en een grotere wielbasis, die voldeed aan de vraag naar steeds grotere en krachtiger akkerbouwmachines. De begrensde dieselmotor leverde 65 pk, maar was zo ontworpen dat hij dit vermogen ook bij continu gebruik onder volle belasting kon leveren. Later volgden motoren met verhoogd vermogen tot 110 pk.
Met een maximumsnelheid van 65 km/u was de Unimog bouwreeks 406 perfect geschikt als trekker voor op de weg. Anderzijds kon hij in kruipversnelling met slechts 0,03 km/u worden gereden. Een bereik dat weinig te wensen overliet.
Ook in de bestuurderscabine nam het comfort toe met de bouwreeks 406. Voor het eerst waren er gepolsterde en verstelbare bestuurdersstoelen. De ergonomie van de cabine maakte het werken op lange werkdagen uiterst comfortabel. Dat maakte vooral de uitvoeringen met volledig stalen cabine tot een populair lid van de wagenparken van gemeentelijke technische diensten in steden en gemeenten. Maar ook bij bouwbedrijven en in de industrie kon de zware bouwreeks van de Unimog zich binnen korte tijd vestigen.
Tot op heden in gebruik.
Met de modelreeksen die vanaf het midden van de jaren 1950 in Gaggenau zijn ontwikkeld en geproduceerd, kon de Unimog zich als een echte blijver op de markt positioneren. Met de introductie van de zware modelreeks ontwikkelde het Unimog‑palet zich tot een echt compleet programma. Niet alleen in zijn kernsegment, de landbouw, maar dankzij zijn grote flexibiliteit en hoge prestaties ook in vele andere sectoren.
Het geheim van het succes: een overtuigend voertuigconcept dat consequent gehandhaafd en voortdurend met veel vernuft technisch verder ontwikkeld werd. De hoge kwaliteit van de gedurende vele decennia geproduceerde reeksen blijkt niet in het minst uit het feit dat enkele van die voertuigen nog steeds in gebruik zijn.
Dat zou je ook kunnen interesseren:
Sleutelen. Geloven. En bewegen.
Samengelast
Vers op tafel